Rapportage van de Inspectie van  het Onderwijs: Recht van spreken. Het functioneren van opleidingscommissies in het bekostigd hoger onderwijs in 2016.

Zie ook het artikel in ScienceGuide Opleidingscommissies tonen weinig verbetering.

Samenvatting
Dit rapport bevat de uitkomsten van het onderzoek naar opleidingscommissies in het bekostigd hoger onderwijs dat de Inspectie van het Onderwijs uitvoerde. We onderzochten hoe opleidingscommissies momenteel functioneren en hoe zij actiever kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de opleiding. Daarbij vergeleken we de resultaten met die van het inspectieonderzoek naar opleidingscommissies uit 2010 (Inspectie van het Onderwijs, 2010).

Het onderzoek brengt in kaart hoe opleidingscommissies ervoor staan voor de invoering van de Wet versterking bestuurskracht (WVB) per 1 september 2017. Vanaf dan hebben opleidingscommissies als centrale taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. Bovendien krijgen ze naast adviesrecht ook instemmingsrecht op delen van de onderwijs- en examenregeling (OER). Dit rapport biedt opleidingscommissies daarom ook concrete handreikingen om zich, specifiek in dit licht, verder te ontwikkelen.

Onderzoeksmethoden
We hebben gebruikgemaakt van meerdere onderzoeksmethoden: vragenlijsten voor leden van opleidingscommissies (studenten en docenten), voor opleidingsdirecteuren en voor studenten en docenten die geen lid zijn van een opleidingscommissie, rondetafelbijeenkomsten, een bijeenkomst met leden van visitatiecommissies, gesprekken met deskundigen en opleidingscommissies, en een werkconferentie voor opleidingscommissies. Daarnaast hebben we opleidingscommissies uitgenodigd zelfportretten te schrijven. Tijdens de gesprekken en via de zelfportretten hebben we best practices verzameld, die deels in dit rapport zijn opgenomen.

Conclusies
Net als in 2010 functioneren de meeste opleidingscommissies in het hoger onderwijs naar behoren, dat wil zeggen: volgens de huidige wettelijke kaders. Ze zijn op de voorgeschreven manier samengesteld en voeren de taken uit die in de WHW zijn geformuleerd: ze adviseren over de OER, de uitvoering van de OER en andere onderwijsgerelateerde zaken. Daarbij zijn ze iets actiever geworden dan in 2010. De opleidingscommissies zijn in grote lijnen tevreden over wat er met hun adviezen gebeurt, maar wensen nog wel meer beargumenteerde reacties van het management. Ook zouden ze graag meer tijd krijgen voor de advisering en willen ze eerder betrokken worden. De afstemming met andere organen, in het bijzonder de medezeggenschapsraad, laat bovendien te wensen over. Het proces kan dus nog beter, zeker met het oog op de WVB. Daar ligt een belangrijke regietaak voor de opleidingsmanager.

Alles overziend vinden opleidingscommissies zelf dat ze behoorlijk goed functioneren. Toch besteden ze gemiddeld maar weinig tijd aan hun werkzaamheden. Zaken als de advisering over de kwaliteitszorg, de eigen scholing en het contact met de achterban lijken daardoor in het gedrang te komen. Dat is terug te zien in het oordeel over de facilitering: die is sinds 2010 wel licht verbeterd, maar volstaat nog niet altijd. Opleidingscommissies wensen vooral meer ondersteuning vanuit het bestuur bij het bereiken van de achterban. Daarbij moet worden opgemerkt dat de vraag naar facilitering verschilt per opleidingscommissie: facilitering blijkt maatwerk.

Een aantal zaken valt op:

  • In een enkel geval heeft een opleiding, in strijd met de wet, een periode helemaal geen opleidingscommissie. In het hbo komt dit relatief vaak voor, 10 procent van de opleidingen heeft de afgelopen drie jaar gedurende minimaal een half jaar geen functionerende opleidingscommissie gehad Om welke opleidingen het gaat, valt op basis van dit onderzoek niet te herleiden.
  • Ook het aantal studentvacatures is in het hbo relatief groot. De animo onder docenten is, zowel in hbo als in wo, bovendien beperkt.
  • Opleidingscommissies weten niet altijd precies hoe ze hun taken moeten invullen. Het gaat hierbij zowel om de interpretatie van de wet als om de taakafbakening ten opzichte van andere organen binnen de instelling. Mede daardoor dragen ze minder bij aan de kwaliteit van de opleiding dan mogelijk zou zijn.
  • Er zijn grote verschillen tussen opleidingscommissies, vaak ook binnen één instelling. Deels hangen die samen met de verschillende context waarbinnen opleidingscommissies opereren. Maar daarnaast lijkt ook het ambitieniveau sterk te wisselen: waar de ene opleidingscommissie veel adviezen geeft en daar ook veel tijd aan besteedt, beperkt de andere commissie zich tot een enkel advies per jaar en een tijdsinvestering van een paar uur per maand. Daarmee is een deel van de opleidingscommissies te typeren als passief en weinig ambitieus.

Aanbevelingen
We hebben een aantal aanbevelingen geformuleerd, gericht aan de opleidingscommissies, het bestuur/management en de koepelorganisaties Vereniging Hogescholen (VH) en Vereniging van Universiteiten (VSNU):

Aanbevelingen aan de opleidingscommissies

  1. Zorg dat taken en taakafbakening helder zijn.
  2. Formuleer eigen speerpunten om de kwaliteit van de opleiding te verbeteren.
  3. Wees zichtbaar: zoek actief contact met de achterban.
  4. Kies voor een evenwichtige samenstelling die onafhankelijkheid waarborgt.
  5. Stem af met andere organen.

Aanbevelingen aan het bestuur c.q. management

  1. Richt voor elke opleiding een opleidingscommissie in.
  2. Versterk de positie van de opleidingscommissie.
  3. Voer de regie over de kwaliteitszorg.
  4. Faciliteer de opleidingscommissie op maat.

Aanbeveling aan de koepelorganisaties VH en VSNU

  1. Maak kennisdeling en uitwisseling van goede voorbeelden mogelijk.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Post Navigation