Voortijdig schoolverlaten in het mbo

Post in Onderzoek, Uncategorized


Op 14 december promoveerde Louise Elffers aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift: ‘The transition to post-secondary vocational education: students’ entrance, experiences, and attainment’. 
Voor veel studenten blijkt de overgang naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) lastig: de meeste schooluitval in Nederland vindt plaats in het eerste jaar na de transitie naar het MBO. Louise Elffers volgde eerstejaars mbo-studenten en onderzocht welke factoren bijdragen aan het studiesucces of de uitval in het eerste jaar. Zij vond dat de inhoudelijke aansluiting die studenten ervaren in hun mbo-opleiding hun studiesucces in het eerste jaar sterk beïnvloedt. In tegenstelling tot wat werd verwacht, blijkt een steunende relatie met de docent geen prominente rol te spelen. De verwachtingen van studenten spelen wel een belangrijke rol: risicoleerlingen blijken hele hoge aspiraties te hebben aan het begin van de opleiding, wat de kans op uitval in het tweede semester vergroot. Op basis van deze onderzoeksresultaten doet Elffers aanbevelingen om jongeren beter te ondersteunen in hun schoolloopbaan.

1. Nederlandse samenvatting proefschrift Louise Elffers
2. Digitale versie proefschrift Louise Elffers
3. Artikel Meso Magazine

The Transition to Post­Secondary Vocational Education

Opmerking Jan Nedermeijer: Een deel van de Nederlandse samenvatting vindt u hieronder. De onderzoekster schetst hierin de belangrijkste factoren voor vroegtijdig schoolverlaten in het MBO.  Voor de verdere conclusies en onderzoeksopzet verwijs ik naar de Samenvatting en het proefschrift.

De meeste schooluitval in Nederland vindt plaats in het eerste jaar na de transitie naar het middelbaar  beroepsonderwijs (MBO). In vervolg op het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (VMBO) verzorgt het MBO gespecialiseerde beroepsopleidingen voor studenten van 16 jaar en ouder. De helft van alle uitval in het MBO vindt plaats in het eerste jaar, wat aangeeft dat de overgang naar het MBO voor veel studenten lastig is. Om het studiesucces van MBO‐studententen te bevorderen, is het nodig meer te weten te komen over de achtergronden van schooluitval. Aangezien deze divers zijn, zal daarbij naar verschillende invloedssferen, zowel binnen als buiten de school, moeten worden gekeken. Voor de preventie van uitval is het echter met name belangrijk om die factoren te identificeren die beïnvloedbaar zijn middels onderwijs gerelateerde interventies.

In dit proefschrift onderzoek ik stapsgewijs verschillende distale en proximale processen die kunnen bijdragen aan het studiesucces, dan wel de uitval van studenten na de transitie naar het MBO. Ik onderzoek de entree, ervaringen en studievoortgang van eerstejaars voltijds BOL‐studenten in techniek‐, zorg & welzijn‐ en economie‐opleidingen, op alle vier de MBO‐niveaus, van ROC’s in grote en middelgrote steden. Voor het onderzoek volgde ik 1438 studenten uit 61 verschillende klassen vanaf het moment van binnenkomst in het MBO tot de start van het tweede leerjaar. Aan de hand van verschillende statistische technieken, waaronder multilevel lineaire regressie, logistische regressie en structural equation modeling, beschrijf ik de verschillende processen die deel uitmaken van de weg naar en door het eerste jaar in het MBO. Het proefschrift bestaat uit zes opeenvolgende studies, die zijn geclusterd in drie delen. Deel I beschrijft de entree van studenten in het MBO. In Hoofdstuk 1 onderzoek ik de sociale en onderwijs gerelateerde achtergrond van studenten op het moment van de transitie naar het MBO. In Hoofdstuk 2 bestudeer ik de schoolse attitudes, aspiraties en verwachtingen van studenten bij hun start in het MBO. Deel II schetst de ervaringen van studenten in het eerste jaar in het MBO. In Hoofdstuk 3 en 4 kijk ik naar de rol van sociale en onderwijsinhoudelijke schoolervaringen in de emotionele en gedragsmatige betrokkenheid van studenten in het eerste jaar in het MBO. Deel III betreft de studievoortgang van eerstejaars MBO‐studenten. In Hoofdstuk 5 beschrijf ik de interactie en ontwikkeling van schoolse betrokkenheid en prestaties voor en na de transitie naar het MBO. In Hoofdstuk 6 onderzoek ik de determinanten van uitval in het eerste jaar in het MBO.

Deel I: de entree van studenten in het MBO

In Hoofdstuk 1 onderzoek ik in welke mate het verhoogde risico op uitval onder bepaalde groepen MBO‐studenten geïnterpreteerd kan worden vanuit een verschil in toegang tot hulpbronnen die studenten in hun studieloopbaan ondersteunen, zoals hulp bij huiswerk of de mogelijkheid om schoolervaringen te bespreken, en vanuit de schoolervaringen van studenten voorafgaand aan de transitie naar het MBO.

De resultaten laten zien dat sociaal‐demografische kenmerken die een verhoogd risico op uitval indiceren, zoals een allochtone
afkomst, opgroeien in een arm gezin, of het hebben van werkloze of laag opgeleide ouders, negatief samenhangen met de mate van ouderlijke ondersteuning die studenten ervaren in hun schoolloopbaan. Turkse en Marokkaanse studenten bespreken schoolzaken vaker met hun vrienden dan studenten met een andere etnische achtergrond. Jongens lijken beduidend meer moeite te hebben om ondersteuning te vinden bij hun ouders, in hun vriendengroep, of in hun algehele sociale netwerk.
Persoonlijke omstandigheden en vormen van buitenschools gedrag die zijn gerelateerd aan een verhoogd risico op uitval, zoals drugs, schulden, in aanraking zijn geweest met justitie, of intensieve bijbaantjes, zijn gerelateerd aan een geschiedenis van negatieve schoolervaringen voorafgaand aan de transitie naar het MBO. Studenten met deze kenmerken zijn daardoor vaker verwikkeld in een proces van afnemende schoolse betrokkenheid op het moment dat ze de transitie naar het MBO maken.

In Hoofdstuk 2 bestudeer ik de verwachtingen, aspiraties en onderwijsattitudes van studenten op het moment van hun entree in het MBO. De resultaten wijzen uit dat de gemiddelde eerstejaars student hoge verwachtingen heeft bij de start in het MBO. Studenten met een verhoogd risico op uitval, de zogeheten risicoleerlingen, hebben geen lagere  verwachtingen en aspiraties  of  negatievere onderwijsattitudes  dan niet‐risicoleerlingen. In sommige gevallen geldt juist het tegendeel: studenten met een lagere sociaal‐economische of allochtone achtergrond hebben juist bijzonder hoge aspiraties en positieve attitudes. De attitudes bij de start in het MBO hangen sterk samen met de schoolgerelateerde ondersteuning van ouders, vrienden en het algehele sociale netwerk van studenten, maar de attitudes van studenten met een allochtone of lagere sociaal‐economische achtergrond hangen minder sterk samen met de mate van ondersteuning in hun thuisomgeving. Studenten die al eens eerder zijn uitgevallen in het MBO na eerdere negatieve ervaringen op de vorige MBO‐opleiding, zijn extra optimistisch over  hun nieuwe start. Uitgevallen MBO‐studenten die echter wél tevreden waren over hun vorige opleiding, maar die het kennelijk niet is gelukt deze succesvol voort te zetten, zijn juist pessimistischer over hun tweede poging.

Deel II: de ervaringen van studenten in het eerste jaar in het MBO

In Hoofdstuk 3 kijk ik naar de rol van sociale en onderwijsinhoudelijke schoolervaringen in de emotionele betrokkenheid bij school van eerstejaars MBO‐studenten. Emotionele betrokkenheid bij school refereert aan de ervaring zich thuis te voelen op school, waarde te hechten aan de eigen opleiding, en aan het belang dat studenten toekennen aan onderwijs in het algemeen. De resultaten laten zien dat sociale en onderwijsinhoudelijke schoolervaringen een belangrijke rol spelen in de emotionele betrokkenheid van MBO‐studenten. De emotionele betrokkenheid van risicoleerlingen is echter minder sterk gerelateerd aan de schoolervaringen in het MBO dan de emotionele betrokkenheid van niet‐risicoleerlingen. Zowel de waarde die studenten aan hun opleiding hechten, als het zich thuis voelen op school, is primair gerelateerd aan onderwijsinhoudelijke ervaringen. Studenten die vinden dat er op school (te)veel zelfstandig moet worden gewerkt hechten minder waarde aan hun opleiding. Een steunende relatie met docenten speelt geen prominente rol in de emotionele betrokkenheid van MBO‐studenten, noch voor risicoleerlingen noch voor niet‐risicoleerlingen.

In Hoofdstuk 4 onderzoek ik de gedragsmatige betrokkenheid van risico‐ en niet‐risicoleerlingen in het eerste jaar van het MBO. Gedragsmatige betrokkenheid betreft de actieve participatie van studenten op school, zoals regelmatige aanwezigheid in de les, op tijd komen, opletten wanneer de docent uitleg geeft en het maken van opdrachten. Risicoleerlingen in het MBO zijn gedragsmatig evenzeer betrokken als niet‐risicoleerlingen, met twee negatieve uitzonderingen: studenten die (soft)drugs gebruiken en studenten met schulden. Schoolervaringen spelen een minder belangrijke rol in de gedragsmatige betrokkenheid van risicoleerlingen dan van niet‐risicoleerlingen. De gedragsmatige betrokkenheid op school is positief gerelateerd aan een steunende thuisomgeving. Studenten van grootstedelijke ROC’s zijn minder gedragsmatig betrokken, ook nadat er gecontroleerd is voor individuele achtergrondkenmerken van studenten. De ervaren inhoudelijke aansluiting met de opleiding speelt een belangrijke rol in de gedragsmatige betrokkenheid. Hoe minder zelfstandig ze hoeven te werken, hoe meer gedragsmatig betrokken MBO‐studenten zijn. Techniekstudenten lijken echter juist de voorkeur te geven aan meer zelfstandige werkvormen op school. Nederlandse samenvatting en discussie

Deel III: de voortgang van studenten in het eerste jaar in het MBO

In Hoofdstuk 5 bestudeer ik de wisselwerking tussen schoolse betrokkenheid en prestaties voor en na de transitie naar het MBO. De resultaten laten zien dat emotionele betrokkenheid een belangrijke predictor is van prestaties. De invloed van emotionele betrokkenheid op prestaties is groter dan de invloed van gedragsmatige betrokkenheid. Gedragsmatige betrokkenheid voorafgaand aan de transitie naar het MBO beïnvloedt de gedragsmatige betrokkenheid in het eerste jaar in MBO, zowel kort na de transitie als later in het schooljaar. Deze bevinding illustreert de continuïteit van gedragsmatige betrokkenheid over verschillende schoolcontexten heen. Emotionele betrokkenheid is daarentegen meer contextafhankelijk. Emotionele betrokkenheid in de vorige schoolomgeving heeft geen invloed op de emotionele betrokkenheid in een daaropvolgende schoolomgeving. Emotionele betrokkenheid binnen dezelfde schoolomgeving blijft echter vrij stabiel over de tijd. Dit suggereert dat een overstap naar een andere schoolomgeving emotioneel weinig betrokken studenten een kans kan bieden om een nieuwe start te maken.

In Hoofdstuk 6 analyseer ik sociale en onderwijskundige determinanten van schooluitval in het eerste jaar in het MBO. Individuele achtergrondkenmerken van studenten spelen een belangrijke rol in het voorspellen van uitval in het eerste semester na de transitie naar het MBO, maar niet in het voorspellen van uitval later in het schooljaar. Het hebben van schulden is echter het gehele schooljaar door een belangrijke predictor van uitval. Hoge aspiraties verkleinen de kans op uitval in het eerste semester, maar verhogen de kans op uitval in het tweede semester. De verwachting dat de MBO‐opleiding en de gerelateerde beroepssector goed passen bij de eigen interesses en mogelijkheden verkleint de kans op uitval voor autochtone studenten, maar verhoogt de kans op uitval voor allochtone studenten. Betrokkenheid en prestaties op school hebben een bepalende invloed op de kans om uit te vallen. De ervaren waarde van de opleiding voor de toekomstige loopbaan beïnvloedt met name de beslissing om na de zomer wel of niet terug te keren in het tweede jaar van dezelfde opleiding. Techniekstudenten besluiten vaker tijdens de zomervakantie te stoppen met de opleiding dan studenten in andere opleidingssectoren.